Verhaal van een ‘super-ouwe-Nato-joekel’ (deel 1)

Toen ik in dienst kwam, was ik een boertje,
Veel ondervinding had ik nog niet…
(Soldatenliedje, wijze In einer kleinen Konditorei)

Omdat ik over het gymnasium langer gedaan had dan strikt genomen nodig was, kwam in 1962 het onvermijdelijke moment dat ik mijn militaire dienstplicht moest vervullen. Ik had er nog onderuit gekund door theologie te gaan studeren, maar dat leek me voor een verstokt agnosticus nogal hypocriet. Kortom, ik werd opgeroepen voor de lichting 62-5 1) en ergens vond ik het ook wel spannend om iets heel anders te gaan doen. De tijd tussen eindexamen en dienst vulde ik op met een baantje bij de Jaarbeurs als hulpportier.

Op woensdag 3 oktober 1962 moest ik mij als recruut 420326147 2) melden bij de Lunettenkazerne in Vught, waar ik was ingedeeld bij de Eerste Instructiecompagnie van het Garderegiment Grenadiers (1GRG). Uit deze compagnie -182 man- werden de toekomstige dienstplichtig officieren en onderofficieren geselecteerd, het kader dus. Het spreekt vanzelf dat van toekomstig kader het een en ander gevergd mocht worden. De opleiding was er dan ook wel naar. Een harde training op moreel en uithoudingsvermogen moest de bokken van de schapen scheiden. ‘Fanatiek’ dat was het woord waarmee deze opleidingscompagnie gekarakteriseerd werd, beklagenswaardig in de ogen van de gewone soldaat, begeerd door degene die wat meer van zijn diensttijd wilde maken. Wie niet mee kon komen, vloeide af naar de chauffeursschool in Weert, de koksschool in Leiden of naar het Korps Militaire Administratie dat toen twee opleidingsscholen had, de 1e en de 2e COAK (Centrale Opleidingsschool voor Administratief Kader), in Middelburg resp. Kampen.

1) De oktoberlichting, de vijfde lichting van het jaar 1962. Iedere twee maanden kwam er een nieuwe lichting dienstplichtigen op volgens het zgn filler-systeem. Er zwaaide tegelijk een lichting van twee jaar geleden af, de ‘fillers’  vulden het leger aan, zodat het steeds op sterkte bleef.
2) Dit registratienummer, bestaande uit je geboortedatum (‘42/03/26) en een cijfer dat aangaf dat je de zoveelste mannelijke inwoner was die op die dag geboren was, werd er vanaf dag 1 ingehamerd.

1 GRG telde vier pelotons, ik kwam in het tweede peloton terecht, op kamer 47 met elf lotgenoten, van wie er een getrouwd was en een baan als sportleraar had. Die mocht ieder weekend naar huis (‘neukverlof’). Wij niet.  Mijn kamer telde verder onder andere vijf Limburgers en twee Hagenaars (beide gymnasiasten). Vanaf dag 1 stonden wij onder de krijgstucht, dat werd ons meteen na binnenkomst medegedeeld. Dat betekende dat je je aan allerlei regels te houden had die we op dat moment nog niet kenden, maar die ons in de loop van de basisopleiding zouden worden bijgebracht. Zo mocht je je bijvoorbeeld niet van vloeken of schunnige taal bedienen. De praktijk bleek wat dit betreft weerbarstig: zelden heb ik zoveel vloeken en schunnige taal leren gebruiken als in mijn diensttijd.

Nadat we onze strozakken hadden opgehaald –matrassen waren voorbehouden aan het kader- kregen we bij de foerier het eerste deel van onze Persoonlijke Standaard Uitrusting (PSU) n.l. drie overhemden en twee overalls, want die eerste dag liepen we gewoon nog in ons ‘burgerkloffie’. In de komende dagen zouden we de rest van onze PSU ontvangen en ook ons persoonlijk wapen, het geweer F.A.L.3). Dat ontvingen we met de uitdrukkelijke toevoeging dat deze spuit 800 gulden kostte en dat we er dus heel zuinig op moesten zijn. Ik vond het eigenlijk niet zo duur. Met de FAL kon je twintig tegenstanders achterelkaar neerschieten.

3) De F.A.L, het Fusil Automatique Leger, werd in België vervaardigd, in Hertals bij Luik. Ieder geweer had een registratienummer en de foerier liet je een briefje tekenen voor ontvangst.

De foerier: “in feite de baas van een grote kringloopwinkel”

De foerier, of in het soldatenjargon ‘de foef’, vervulde binnen het leger een sleutelpositie. Hij was de alleenheerser over de ‘rustkamer’ en beheerde daar de voorraad kleding- en uitrustingsstukken die de soldaat nodig had om te functioneren. Rijkseigendom, dat werd uitgeleend aan de militair. Er werd geen gelegenheid ongebruikt gelaten om de dienstplichtige erop te wijzen, dat hij de spullen slechts in bruikleen had. Wie iets kwijt was of als iets gescheurd of defect was, meldde zich met een ‘rapport van vermissing’ voorzien van de handtekening van de directe commandant  bij de foerier en kreeg dan een nieuw exemplaar. Of liever gezegd een vervangend exemplaar, want alles -behalve je eerste grijs dat door de kleermaker werd aangemeten- was al door eerdere lichtingen gebruikt. De foerier -meestal een sergeant, opgeleid bij de Intendance- was in feite de baas van een grote kringloopwinkel. Wat we ook kregen, waren drie dekens om onder te slapen. Van de dekens werd ons  diezelfde dag nog geleerd, een ‘wolletje’ te maken: twee op gelijke wijze opgevouwen dekens en de derde er op een speciale manier omheen, zodat er een soort kubus ontstond die aan het voeteneinde van de strozak moest worden geplaatst. Dat ritueel herhaalde zich elke dag: opstaan, aankleden, wolletje maken.

De PSU paste precies in een grote legergroene zak, de plunjebaal, en die sleepte je je hele diensttijd met je mee. Ook na afloop van je diensttijd zat je nog twintig jaar opgescheept met die muf ruikende zak propvol Rijkseigendom, die je pas mocht inleveren als je met Groot Verlof 4) was gestuurd, dat wil zeggen te oud om voor herhaling te worden opgeroepen, dus op je veertigste.

Diezelfde eerste dag nog moest iedere ‘oliebol’ (dat was de scheldnaam voor een recruut in de basisopleiding 5) namens de Compagniescommandant een kaartje naar huis schrijven dat hij goed was aangekomen. Mijn commandant was de kapitein A.J. van de Ven. Hij sprak ons toe als ‘Recruten!’ en dat klonk alsof de kapitein een echte ijzervreter was. Dat was hij niet, maar dit was de toon waarop men elkaar binnen het leger bejegende. Daar moesten we maar aan wennen, net als aan de humor die in de dienst voor het opscheppen lag. Om er in te komen een eenvoudig voorbeeld: ‘Vraag: Is een onderofficier een officier?  Antwoord: Ja, want een onderbroek is ook een broek.’


Het was überhaupt wennen aan het jargon; je ging bijvoorbeeld niet met verlof, maar je kreeg ‘bewegingsvrijheid’.

4) De ‘basis’ duurde twee maanden. Een oliebol was te herkennen aan zijn kale baretembleem en eerste grijsjasje met emblemen zonder ondergrondje.  Als infanterist zou ik een rood ondergrondje krijgen. Wij hunkerden naar het moment dat de ondergrondjes werden uitgereikt en we van de zichtbare status van oliebol verlost zouden zijn.
5) Als je na 22 maanden dienst afzwaaide, ging je met ‘Klein Verlof in afwachting van Groot Verlof’. Tijdens het Klein Verlof kon je een oproep voor herhalingsoefening verwachten.  En uiteraard was je in geval van mobilisatie oproepbaar.

“Iwan”

Een uitgekiend lesprogramma maakte dat we ons geen moment verveelden.
Uiteraard bestonden de eerste lessen uit het helder maken wat je met je PSU wel en niet kon doen en vooral wat je niet mocht doen. Daarnaast waren er lessen in het herkennen van rangen en standen, krijgstucht, ‘inwendige dienst’  (hoe functioneert een leger) en kregen we ook te horen wie onze vijand was. Alles concentreerde zich op Iwan, de verpersoonlijking van de Russische tegenstander, want de Koude Oorlog was nog lang niet uit de lucht en kon ieder moment omslaan in een ‘gewapend conflict’ , zo hield men ons voor. Af en toe werden we naar de filmzaal gedirigeerd en kregen we tot in de gruwelijke details (gelukkig alleen in zwart-wit) te zien waartoe Iwan in staat zou zijn. Ook de moraliserende film van de Leger Film- en Fotodienst  ‘De ondergang van de B-compagnie’ -in zwart wit, haast symbolisch-  maakte veel indruk. In deze 16mm-rolprent werd onder andere aangetoond dat je als soldaat alleen kon overleven, wanneer je je ‘kistjes’ goed poetste en je niet gevoed had met chocola, gevulde koeken en pinda’s uit de kantine, maar met de gezonde maaltijden uit de veldkeuken. Je kunt deze film hier bekijken.

Hoofdpoort Lunettenkazerne Vught

Naar huis, naar mijn vriendin, schreef ik enthousiast wat ik meemaakte:

Vanavond heb ik m’n geweer geolied. Gezellige avond. We hebben leuke sergeants die goed meelullen. Schuine boel, maar verdomd goeie sfeer. Vraag van een sergeant vanavond; ‘Wie heeft er een leuke zuster?’ Verder gooiden de sergeants onderling met oud brood, zodat er een ruitje sneuvelde. Op de kamer hier is een jongen die volmaakt een meisjesstem kan imiteren. Een verukkelijk geluid.
De Welzijnszorg is prima hier; Cabaret Rens van Dorth, tafeltennisser Cor du Buy, film met Tony Curtis (goeie vent). […]
Alles moet pijnlijk netjes zijn volgens de zeer uitgebreide dienstvoorschriften. Bij het minste geringste ben je ‘tikmans’, dan krijg je op je duvel. Een jongen is al uit dienst ontslagen wegens heimwee.”

Het echte werk was toch wel de les GOEM, Gevechts-Opleiding Enkele Man. Hier kregen we de grondbeginselen van het man-tegen-mangevecht onderwezen en vooral, hoe je daarbij optimaal gebruik kon maken van de bajonet op het geweer. 

Om het zo levensecht mogelijk te maken waren er poppen van stro opgehangen, waar je op moest insteken alsof het een vijand van vlees en bloed betrof.  Bij het toesteken moest je een bloedstollende kreet uitstoten om de tegenstander in verwarring te brengen en je bajonetstoot kracht bij te zetten.

De Lunettenkazerne

De Lunettenkazerne was een voormalige kazerne van het SS-Wachtbataljon dat destijds concentratiekamp Vught bewaakte. De kazerne was tijdens WOII in 1943 gebouwd in de vorm van een Duits kruis (gelukkig geen hakenkruis), wat alleen vanuit de lucht goed waarneembaar was. Stilistisch was het gebouwencomplex interessant vanwege de ‘ambachtelijke vormentaal met elementen van het Functionalisme en verwijzingen naar het vormenidioom van de Stuttgarter Schule’. Dat ontging ons overigens op dat moment geheel.

Lunettenkazerne, Vught

Behalve als depot voor de Infanterie was de Lunettenkazerne ook bij de Genie in gebruik als opleidingskazerne. De genisten draaiden een volstrekt ander programma dan wij. Van vermenging tussen beiden was eigenlijk geen sprake, behalve bij activiteiten van de Welzijnszorg, die in de recreatiezaal wekelijks een film vertoonde, meestal een militair gerelateerde rolprent, zoals ‘Voor beulen geen genade’ (Hangmen also die!) van Fritz Lang.

De kazerne lag in een bosrijke omgeving, op een steenworp afstand van een Moluks kampement voor repatrianten (‘een woonoord’ heette dat in het eufemistisch ambtelijk jargon). Als je ’s ochtend met de compagnie een rondje rond de kazerne rende, rook het er al naar sajoer, roedjak en sterk gekruid geitenvlees. Ook deze barakken stamden uit de tijd van de Duitse Bezetting, concentratiekamp Vught, bestemd voor politieke gevangenen en gijzelaars. Naast het Molukkerskamp lag de fusilladeplaats waar tijdens de oorlog tal van Nederlanders het leven hadden gelaten. Tijdens onze opleiding was tijd ingeruimd voor een verplicht bezoek aan deze plek. ‘Dan weet je waarom je in dienst zit’. Toen ik na mijn opleiding bij de parate troepen in Hohne terechtkwam, behoorde een verplichte excursie naar het naburige voormalig concentratiekamp Bergen-Belsen tot de vaste routine van iedere nieuwkomer.

Woonoord Vught, voormalig condentratiekamp

Het marslied ‘Balen, balen…’ kon écht niet!

Het was in het najaar van 1962 uitstekend weer. Weinig regen, zonnige herfstige dagen, het rook in de bossen rond de kazerne naar composterend blad, vochtige aarde en paddenstoelen. Als de blaadjes beginnen te vallen, kan ik de lucht van toen nog steeds oproepen, dampende grond, heldere zonnestralen, herfstdraden met dauwdruppels. Wanneer we naar buiten trokken voor kaartleesoefeningen, marstraining of lessen in camouflagetechnieken, leek het wel herfstvakantie. We slopen rond een recreatieplas in de buurt, de IJzeren Man, groeven schuttersputjes in de zandige bosgrond (we werden niet voor niets voor ‘zandhazen’ uitgemaakt) of lagen gewoon in de zon te wachten op nadere instructies.

Er werd veel gelopen, we waren tenslotte infanterie. En tijdens het marcheren werd er vooral gezongen. Ik leerde liederen waarop het lekker lopen was, zoals ‘Janus, hij roept u, voor het leger, met jenever, ja-ja-ja-Janus, hij roept u, voor het Leger des Heils’. En natuurlijk: ‘Salem aleikum, wij zijn de rasechte Turken, wij hebben lullen als augurken en roken Fatima-sigaren’. 6)
Er mocht veel, maar één lied was absoluut taboe en dat was ‘Balen, balen, dat is het lied van Jan Soldaat. Balen, balen, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat’. Die tekst ondermijnde de krijgstucht, zo had de hogere legerleiding beslist, al kon je nog zo lekker op de melodie marcheren. Een soldaat hoorde nu eenmaal niet te balen. Het was als een grote eer te beschouwen dat je het Vaderland mocht dienen en dan nog wel onder de wapenrok van Hare Majesteit.

6) De nette variant was ’Salem aleikum, wij zijn de rasechte Turken, wij dragen hele lange jurken en roken surrogaat-sigaren’.

“Is uw tenue in orde?”

De dienst begon iedere dag om 8 uur, maar dan waren we wel al twee-en-een-half uur op. Om half 6 ging het fluitje van de Sergeant van de Week voor de reveille en klonk het ‘voor de bedden!’. Vervolgens werd door ‘het Weekdier’ gecontroleerd of iedereen wel gekleed en in de houding voor zijn bed stond. De Kameroudste (wat iedereen een week lang op toerbeurt was) meldde de kamer. Daarna wassen en ontbijten.

Om 8 uur appèl buiten waarbij je pelotonsgewijs stond opgesteld met voor de troep je pelotonscommandant. In mijn geval was dat een dienstplichtige vaandrig, een jongen met het opgewekte uiterlijk van een welzijnswerker, nauwelijks ouder dan ikzelf en de meeste van mijn lotgenoten. Maar hij was wel de baas want hoogste in rang, en ook dat werd je vanaf dag 1 ingepeperd.

Onze groepssergeant was de dpl. sgt. Van Berkel, net als ik een Utrechter wiens ouders een juwelierszaak hadden in de Schoutenstraat hoek Ganzenmarkt, gespecialiseerd in edelstenen en halfedelstenen. Kees van Berkel was een uiterst aimabele jongeman die over een onderwijsakte beschikte en al voor de klas gestaan had, en daarom vermoedelijk was ingezet bij deze Instructiecompagnie.

Het officierskader van de instructiecompagnie 1GRG. In het midden kapitein Van de Ven, tweede van links de Kiwi en geheel rechts mijn pelotonscommandant.

Gelukkig vielen wij niet onder de tweede luitenant die het vierde peloton onder zijn hoede had en die in de wandelgangen ‘de Kiwi’ genoemd werd.  Hij heette zo, omdat zijn schoenen en zijn ‘bokkentuig’ (het riemenstelsel waaraan men de officier herkent) er altijd overdreven glimmend gepoetst uitzagen. En dat was niet te danken aan de van dienstwege verstrekte schoenpoetsmiddelen, maar aan zijn eigen blikje Kiwi-schoensmeer. Ook overigens zag hij er onberispelijk uit. Verdenkingen dat hij een homo was met sadistische trekjes waren er vermoedelijk niet ver naast. Met zijn officiersstokje deelde hij iets te graag tikken uit aan de jonge dienstplichtigen die zich niet strikt naar zijn bevelen voegden.

Veel verlof kregen we niet in die eerste maanden. Om de haverklap moesten we een prik halen en dat betekende dat je het weekend binnen moest zitten, omdat het vaccin voor problemen kon zorgen. Dan hadden ze je maar liever bij de hand. Een enkel keertje vroegen we avondpermissie om ergens buiten de poort een biertje te drinken in plaats van in de doodsaaie manschappenkantine. Als je de poort uitging, werd je eerst nog geconfronteerd met een grote staande spiegel met de tekst Is uw tenue in orde?, zodat je kon controleren of je baret recht stond (‘twee vingers boven de wenkbrauw’) en alle knopen dicht waren. Dat alles onder het toeziend oog van de wachtpost die met een geladen geweer bij het hek stond.

De PSU Persoonlijke Standaard Uitrusting

Klik op de afbeelding voor een grotere weergave

Door de foerier waren we stukje bij beetje voorzien van onze volledige PSU die we de hele diensttijd met ons mee zouden slepen.
Let op: ik ben in het bezit gekomen van een gasmasker, binnen- en buitenhelm, pionierschop, 3 gevechtsjassen, naaizakje (je naait je hier te barsten) en 3 stel ondergoed (wat me bijzonder slecht staat) plus en benevens een vechtpet”, schreef ik naar huis. En dat was nog maar een klein deel van je hele PSU. Daar hoorde bij voorbeeld ook een ransel bij met ranselriemen en een gevechtstas (de ‘pukkel’), een koppelriem, een gelaatsnetje, een helmnetje, bestek, messtins, een (onhandig) legergroen toiletzakje, sokken, schoenen, handdoeken, 1 groene zwembroek (!), zakdoeken, een zakmes met zakmeskoord, een pakje met noodverband, enzovoorts enzovoorts. De PSU werd door het kader regelmatig geïnspecteerd op onderhoud, want de aan de militair toevertrouwde Rijkseigendommen moesten zorgvuldig in stand gehouden worden. Op reinheid werd tot in het absurde gecontroleerd. 

Zeepdoos

Teneinde mijn zeepdoos (die niet tot de PSU behoorde, maar wel gecontroleerd werd!) schoon te houden voor inspectie, speculeerde ik erop dat er altijd wel iemand zo stom was geweest om zijn stukje zeep in het waslokaal achter te laten, zodat ik toch niet behoefde te vervuilen. Vermissingen en beschadigingen moesten schriftelijk gerapporteerd worden en wie geen plausibele verklaring kon geven, betaalde de vermissing of beschadiging uit eigen zak (‘rekening man’), dat wil zeggen dat het bedrag werd ingehouden op de toch al karige soldij die eens in de tien dagen contant werd uitbetaald.

Op oefening

Toen we eerste grondbeginselen van het militair bestaan onder de knie hadden, werd het tijd om die in de praktijk te brengen. Oefening! Ik schreef aan mijn vriendin:

“Het viel niet mee. Maandagmiddag vertrokken. De inladersploeg [van de Dikke DAFs] werd overhaast gewijzigd. Wij waren te gezond. Alleen kneusjes kwamen in aanmerking. Verdomd jammer. Nu moest ik dat klote-end sjouwen met uitrusting en wapen. ’s Avonds in het donker de tent opgezet. Het leuke was dat er bij ons (mijn slapie en ik) een tentstok ontbrak, zodat we het kreng aan een boom vast moesten binden. Een gebrekkige situatie. Ik sliep die nacht ongelooflijk slecht, hoewel ik in drie dekens gerold lag. Ieder uur ontwaakte ik van de kou die tot op het merg doordrong. Dan besef je pas wat ontbering betekent. Mijn slaapje sliep bijzonder rustig, ondanks het feit dat hij voortdurend een akelig gekreun uitstootte, dat mij uit de slaap hield.
Om zes uur reveille. Wassen in je buitenhelm, scheren met ijskoud water en in het donker. Er vloeide geen bloed, althans niet bij mij. Het was intussen wel gaan regenen, iets wat de hele dag en de komende nacht zou voortduren.

Schuttersput graven (foto Martin de Munck)

In het mulle zand van de Drunense duinen brachten we de dag door, tijgerend, rollend, weer opstaand, hollend en stilstaand. Ik vraag me af, waar de grens van het menselijk uithoudingsvermogen ligt. Dit is allemaal nog niets vergeleken bij een echte oorlog en het is al zo enorm uitputtend.
We kregen overigens wel goed te eten, maar alles ging doorelkaar en regen erover en zand erin (bruine suiker met sla en karnemelk).
’s Avonds weer oefening. Puntje oriëntatie. We werden ergens in de duinen in groepjes van vier gelost en moesten maar zien dat we weer op bivak terugkwamen. Het was kip-eenvoudig. We lagen dan ook al om 10 uur in de vetlap.

Vanmorgen na het eten een schuttersput gegraven. Een mansdiepe put voor twee man ter grootte van een graf, met een afvoerputje en een granaatvangtrechter. Toen we ons hierop kapotgegraven hadden, kregen we het vervloekte bevel, de put weer dicht te gooien. Puntje moreel.”

Ouderdag

Op donderdag 22 november 1962 was het Ouderdag.  Dat feest vond plaats op het terrein van een naburige kazerne in Vught, de Frederik Hendrikkazerne. Daar defileerden we compagniesgewijs in rotten van vier en op muziek van een geroutineerde militaire kapel voor onze ouders, er was een toespraak van de commandant en we mochten vol trots laten zien hoe handig we met ons geweer, ons persoonlijk wapen, konden omgaan. Ook werd er erwtensoep uitgedeeld.

Ouderdag, 22 november 1962

Oefening Ruggengraat

De basisopleiding werd afgesloten met Oefening Ruggengraat. De naam voorspelde weinig goeds. Aan mijn vriendin beschreef ik deze beproeving in telegramstijl:

“Om twee uur werd de alarmtoestand afgekondigd. Volledige bepakking in paniek gereedmaken. Inspectie. Weer afhangen.

Rustig gaan slapen. Om drie uur door een ontzettende knal gewekt. Alarm. Ongewassen aantreden in sneeuwjacht. Tot zes uur tests (raketwerper, gaskamer, mitrailleur). Om half acht op pad in groepen van zes. Oriëntatierit. Twintig vreselijke kilometers lopen door mul zand. Te weinig eten. Te zware uitrusting. Om half een met blaren gearriveerd in de Drunense duinen. Pelotonsbivak ingericht met schuttersputjes. Verder geen comfort.

Oefening Ruggengraat. Aantreden met volle bepakking

’s Avonds slecht gegeten. Kou geleden. Daarna begin van de ‘kleine oorlog’. Losse flodders uitgereikt gekregen. Toen met een paar man op patrouille. Het lag in onze bedoeling om ergens op een rustig plekje te gaan pitten. Op dat rustige plekje lag al een andere patrouille dsie we onmiddellijk krijgsgevangen maakten. De kerel tegen wie een van mijn maten zei ‘Verdomme klootzak, waar is je geweer?’ bleek een luitenant te zijn die de patrouille leidde. Op weg naar het kamp ontstond een gevecht. Er werd machtig geschoten. De gevangenen ontsnapten (hoewel ze allang ‘dood’ waren) met medeneming van 1 geweer en 1 vechtpet. We gingen daarop in hinderlaag liggen. Al gauw kwam er een knakker opdagen. Ik riep ‘Halt, wie daar?’ ‘Luitenant Groenenberg’, ‘Kom nader, luitenant’. Hij kende natuurlijk het wachtwoord niet. Onder schot genomen en in triomf het kamp binnengeleid, waar hij een hersenspoeling onderging.

Daarna twee uur in ijskoud schuttersputje gestaan. Door traangas verrast, maar tijdig gereageerd met gasmasker. Verscheidene floepers aangeroepen ‘Halt, wie daar?’. Geen incidenten. Toen twee uur pitten op de ijskoude bevroren grond. Belazerd. Ontbering! Toen weer uitgerukt (inmiddels half drie) en sergeant-majoor die trachtte te ontvluchten, neergeschoten onder hevig floddervuur.Om vier uur weer uitrusting op de rug en in een gruwelijk marstempo naar de kazerne vertrokken. Bijna gestorven. Geen voeten meer. Tot half zeven aan een stuk doorgelopen. Bij de kazerne gegeten in bos. Toen -puntje moreel- verder (2 km) naar de schietbanen. Geschoten en te voet naar de kazerne teruggekeerd. Einde alarm.”

Na Oefening Ruggengraat gebeurde er niet veel meer. Ja, er moest per peloton een groepsfoto gemaakt worden (zie boven) en alles moest in gereedheid gebracht worden voor de volgende lichting. Veel poetsen dus. Bij het voltooien van de twee maanden basisopleiding ontvingen we dan eindelijk de felbegeerde ondergrondjes voor ons baretembleem en onze kraagspiegels, zodat we er niet meer als een oliebol uitzagen. We hadden nu de status van ‘geoefend soldaat’. Dat leverde  een kwartje per dag extra op. Die avond gingen we ons geheel te buiten, niet in de kantine, maar –met avondpermissie- in het cafeetje De Vier Kolommen, een eeuwenoude uitspanning met Brabants bier aan de weg naar Tilburg. Helaas sinds 2018 niet meer in bedrijf.

Klaar voor de vervolgopleiding

Daags daarna ging iedereen zijns weegs, de een naar de Officiersschool in Ermelo, de ander naar de Onderofficiersopleiding, de Kaderschool Infanterie (KSI) in de Isabellakazerne te Vught of –als je administratief was aangelegd- naar de COAK (Centrale Opleidingsschool Administratief Kader) in Middelburg. Een enkeling kreeg een vervolgopleiding tot sergeant-hospik bij het Regiment Geneeskundige Troepen in de Juliana van Stolbergkazerne in Amersfoort. En sommigen werden minder hoog ingeschat, zij kregen een specialistische vervolgopleiding als chauffeur, kok of tirailleur, maar dat had wel tot voordeel dat je diensttijd beperkt bleef tot 18 maanden.

Voor ons –ik zou sergeant worden- betekende het wel twee maanden extra dienen, maar het bestaan als onderofficier bood veel voordelen boven dat van gewoon soldaat. Niet alleen was het eten beter: je at in de onderofficiersmess aan tafels met linnen en echt servies, dus geen metalen bord met drie deuken, je werd bediend door messbedienden in witte jasjes (de ‘messpikken’) en aan de bar was voor een bescheiden bedragje iedere vorm van alcohol verkrijgbaar (bij de manschappen bleef de alcohol beperkt tot bier). Verder sliep je op een matras -dus niet op een strozak- opgemaakt met lakens en een sloop.  En je had een gereserveerd compartiment in de trein: ‘Alleen voor onderofficieren’ stond er op het raam.

Ook de verdiensten waren beter. Een geoefend soldaat kreeg 1,25 per dag (in guldens dus!), maar een sergeant ving het dubbele: 2,50. En in de laatste zes maanden van je diensttijd (de zgn. effectieve periode) zelfs een paar honderd gulden per maand netto, ongeveer net zoveel als een beroeps. Daar wilde je je in de opleiding wel voor laten afknijpen.

Mijn voortgezette opleiding zou plaatsvinden aan de Kaderschool Infanterie in Den Bosch. Eind november ’62 werden we daar per militaire bus naartoe gebracht.

Rudo den Hartog 2021

Naar het volgende deel: Afgezwaaid


naar top↑