Verhaal van een ‘super-ouwe-Nato-joekel’ (deel 3)

‘Ik heb een Hohne-tic,
Ik heb hem Hohne-dik’
(op de wijze van There goes my heart again van Fats Domino)

mei 1963 tot en met augustus 1963

Legerplaats Hohne, hoofdingang (Main Gate)

Begin mei 1963 werd ik ingedeeld bij de Nederlandse troepen in Duitsland en ‘boven de sterkte’ toegevoegd aan de Staf en Stafcompagnie van de 41e Pantserbrigade, in afkorting StStCie41PaBrig, gelegerd in Hohne, even boven Hannover. 41PaBrig was ‘superparate hap’. Als de Russen vanuit het Oosten aanvielen, zouden wij de eerste klappen op moeten vangen. We waren op grond van NATO-verplichtingen samen met de Engelsen en Duitsers belast met de verdediging van de Noordduitse laagvlakte die zich uitstrekte van de Nederlandse grens tot aan de grens tussen Oost- en West-Duitsland, het IJzeren Gordijn. Om erin te komen kregen we een boekje uitgereikt ‘Tussen Lobith en ijzeren gordijn’ waarin nog eens duidelijk werd gemaakt, welke belangrijke taak wij in Duitsland te vervullen hadden en hoe we ons als militair in de Bondsrepubliek behoorden te gedragen. Deze uitgave is beschikbaar in onze Legerkiosk.

Er golden hier andere regels dan in Nederland, vooral vanwege de permanente toestand van verhoogde paraatheid. Je mocht bijvoorbeeld uit documenten niet laten blijken, waar je gelegerd was. Het was altijd ‘te velde’. De post ging naar een NAPO-nummer in Utrecht. Rechtstreeks post ontvangen mocht niet.

 41 PaBrig omvatte onder andere een verkenningsbataljon, een tankbataljon, een detachement marechaussee, een compagnie commando’s, een geniebataljon, technische dienst en een munitiecompagnie. De Staf van de brigade was voornamelijk uit beroepsmilitairen samengesteld met administratieve ondersteuning van een enkele dienstplichtige die goed kon typen. Soms was een dienstplichtig vaandrig of kornet aan een Stafsectie toegevoegd. De Stafcompagnie zelf bestond in hoofdzaak uit militairen van het Regiment Stoottroepen, maar er zaten ook een paar huzaren, hospikken en ‘verbindelaren’ 1) tussen. Ik kon na aankomst meteen het algemeen Infanterie-embleem waarmee ik op de KSI had rondgelopen, inwisselen voor dat van de ‘Stoters’, een omhooggestoken stormdolk tegen de achtergrond van een hertengewei, dat het begrip ‘stoten’ verbeeldde. Dat zag er een stuk beter uit.

1) Militairen van het Korps Verbindingstroepen. Zij moesten te velde de telefoonverbindingen verzorgen, waarmee de Staf contact met de Bataljonscommandanten kon onderhouden.

De reis naar Hohne -per speciale trein- duurde ongeveer acht uur. In Oldenzaal werd de diesellocomotief verwisseld voor een Duitse stoomlocomotief die puffend en blazend een spoor van rook door het Duitse landschap trok. Omdat de trein buiten iedere dienstregeling om reed, moest er soms langdurig gewacht worden op een zijspoor. De reis nam daardoor extra veel tijd in beslag. Toen we in Bergen aankwamen (daar was het station), was het al donker, tegen middernacht. Er stond een drietonner klaar om ons naar de legerplaats te vervoeren, waar we als nieuwkomers onwennig aankwamen in een volstrekt vreemde omgeving. De mess was nog open. Mijn eerste kennismaking met de collega’s met wie ik maanden zou optrekken, voltrok zich aan de bar.

Oude en jonge ‘5’ voor het legeringsgebouw voor onderofficieren M.B. 73.

De onderofficieren van de Staf en Stafcompagnie waren in een apart gebouw (M.B.73) gehuisvest, op enige afstand van compagniesgebouw M.B.54 2) waar de manschappen waren ondergebracht. In de kelder van M.B.54 was een gezellige compagniesbar ingericht, die op toerbeurt door een paar soldaten werd gedreven. Zo’n compagniesbar was een groot goed, want verder was er binnen de muren van de legerplaats weinig te beleven. Recht tegenover ons was een detachement Marechaussee gelegerd. Met hun MTOO had ik een goed contact, we leenden wel eens wat van elkaar, want voordat onderdelen uit Nederland binnen waren, duurde wel even.

2) M.B. staat voor Mannschafts Block, een benaming uit de vooroorlogse tijd.

Haaks op M.B.54 stond de Onderofficiersmess (W.B.13 oftewel Werkmannschafts Block 13) met eigen keuken en op de eerste verdieping een bar (met piano!).
Iedere dag kwam een oud Duits mannetje met een WO-II vechtpet het overgebleven eten ophalen, zogenaamd ‘für die Feuerwehr, die 24 Stunden Dienst hat’. Volgens ons voedde hij daar één of meer gezinnen van, want het Wirtschaftswunder was nog niet overal ingedaald.

Hohne was in hoofdzaak een Engelse kazerne; wij namen als brigade maar een klein gedeelte van de gebouwen in beslag. Het beheer en onderhoud was in Duitse handen: de Verwaltung. Als je naar Nederland wilde bellen, liep dat allemaal via de Verwaltung, aardige telefonistes die in een gebouw naast het onze zaten en zwaaiden als je langsliep. Ook de was werd uitbesteed aan een Duitse firma, ‘Die Wäscherei der Hausfrau’, die onze overhemden piekfijn gestreken en met een bandje erom afleverde.

De bewaking van het kamp was in handen van de Engelsen, de Royal Scots Dragoon Guards die er met hun Armoured Division gelegerd waren. Terwijl wij in Holland met een geladen geweer aan de poort stonden, hadden zij slechts de beschikking over een zware knuppel, een soort honkbalknuppel. In de praktijk bleek dat voldoende. Wij moesten als sergeants wel wachtdienst draaien, maar dat betekende feitelijk alleen bewaking van het Officiershotel. Aan mijn vriendin schreef ik: “Wacht stelt werkelijk niets voor hier. Ik zit in een waslokaal tussen de wastafels aan een tafeltje met een pistool aan m’n koppel en een eigen ordonnans.” De meeste bewakingsdiensten werden door de Huzaren waargenomen die getalsmatig ook het sterkst vertegenwoordigd waren. Wel moesten we af en toe het Nederlandse benzinedepot bewaken, dat in de bossen aan de weg tussen Hohne en Celle lag.

De sergeants Den Hartog, Ton de Groot, John Sanderse en Giel de la Haye voor het Compagniesgebouw M.B.54.

In M.B.54 hield ook het MT-bureau kantoor, naast de kamer van de Sergeant van de Week. Vanuit het raam kon je de hele parkeerplaats overzien waar alle voertuigen geparkeerd stonden.

Uit de eerste brief vanuit Hohne aan mijn vriendin, 11 mei 1963:

Eerste luitenant Ben (‘Bennie’) Westerhoud, MTO StStCie41PaBrig, op oefening.

“Kamp Hohne is zeer uitgestrekt. Er liggen overwegend Engelsen die bijzonder arrogant optreden. De officieren rijden voor de dienst begint paard. Verder liggen er nog wat Duitsers en dan wij met onze Pantserbrigade. Ik heb 59 wagens onder mijn bevel staan, wat heel wat is.”
Dat ‘onder mijn bevel’ was misschien een beetje overdreven, maar ook niet helemaal onwaar. Er was n.l. ook een MTO, de eerste luitenant Ben Westerhoud (‘Bennie’), maar die was tevens plaatsvervangend compagniescommandant als de kapitein met verlof was. Aangezien hij ook iedere vijf weken zelf een week met verlof ging -we stemden dat op elkaar af-, was ik dus vrij vaak alleen verantwoordelijk voor het wagenpark dat een gezamenlijke waarde van 1¼ miljoen gulden vertegenwoordigde.

Zelf werd ik bijgestaan door een korporaal, Cees Barnhoorn, net als ik uit Utrecht afkomstig, een serieuze en betrouwbare dienstplichtige die voldoende overwicht op het ratjetoe aan chauffeurs kon laten gelden. Toen Barnhoorn afzwaaide kon ik zelf bepalen wie hem zou opvolgen en de keuze viel op soldaat eerste klasse Jo Bartels, een Limburger, chauffeur en enkele lichtingen jonger dan ik, dus hij kon nog een tijdje mee. Hij verhuisde mee naar Seedorf en werd daar tot korporaal bevorderd.
Tot de ‘staf’ van het MT-bureau behoorde verder de chauffeur van de benzine-DAF, Tinus Wijmenga, een rechtdoorzee Fries met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Hij had de bijnaam Tinus Tussengas, omdat hij als geen ander de ’rijdende bom’ soepel kon laten rijden door bij het schakelen de juiste dosis tussengas te geven. De DAF stond vanwege de parate toestand permanent afgeladen met benzine etc. op de parkeerplaats, wij tankten dus niet aan een pomp, maar uit jerrycans en Tinus bewaakte zijn voorraden als een Cerberus. Daar mocht niemand aankomen. Als Tinus met verlof was, nam Jo Bartels de honneurs waar. Ook Wijmenga werd tot korporaal bevorderd.

Het MT-bureau op oefening, poserend voor de BOS 3) -DAF. V.l.n.r. sgt. Den Hartog (MTOO, met UZI), kpl. Tinus Wijmenga (chauffeur BOS-DAF), kpl. Jo Bartels (fungerend MTOO, met gasmasker) en sld. I Koets (monteur)

Niet alleen jeeps en Dikke DAFs stonden er op de parkeerplaats. Omdat het een Stafcompagnie betrof, beschikten we voor de stafofficieren ook over een Opel Kapitän (voor de brigadecommandant 4), twee lichtgroene Volkswagens en een legergroen Volkswagenbusje, de Combi. Ook waren ten behoeve van een duo motorordonnansen twee Matchless-motoren aan het wagenpark toegevoegd. Op een gegeven moment kwamen er plotseling ook nog drie AMX-en (lichte pantservoertuigen van Franse makelij) bij, waarvan er één ingericht was als ‘kantoor’ voor de generaal en de andere bestemd waren voor Stafofficieren en de Stafwacht. De AMX-en werden geleverd met inbegrip van chauffeurs en een monteur, want binnen de compagnie had niemand ervaring met rupsvoertuigen.

De eerste gloednieuwe AMX arriveert.

3) BOS = Benzine, Olie, Smeermiddelen. Bij troepenverplaatsingen reed de BOS-DAF samen met de Toolset achteraan, buiten colonneverband, zodat aan uitvallers direct hulp geboden kon worden.
4) Op dat moment, mei 1963, Kolonel J.A.C. Bartels. Hij zou later in het jaar vervangen worden door Brigadegeneraal J.L.Hollertt (1914-2005) (‘Teddy’, ‘Birre’), die al in juli 1964 vanwege een conflict met de legerleiding moest opstappen.

Uit die eerste brief naar huis kwam ook naar voren dat we over warm en koud stromend water beschikten (dat was in Nederlandse kazernes alleen koud!) “en dat het bier bijzonder goedkoop is (30 pfennig), whisky 45 pfennig. Onze soldij wordt gedeeltelijk in Marken, gedeeltelijk in guldens uitbetaald.” Financieel gezien was het in Duitsland gelegerd zijn aantrekkelijker dan in Holland: je kreeg n.l. een ‘buitenlandtoelage’, zodat je soldij bijna verdubbelde.

Als persoonlijk wapen kreeg ik aanvankelijk een UZI-pistoolmitrailleur uitgereikt, maar die moest ik weer bij de foerier inleveren, toen na enige tijd bleek dat ik boven de sterkte was ingedeeld.
In plaats daarvan kreeg ik zo’n oude WO II stengun, algemeen bekend als het meest onbetrouwbare en onzuivere wapen dat er in dienst rondwaarde. Als je het ergens iets te hard neerzette, kon het ongewild afgaan. Dan moest er natuurlijk wel een kogel in de kamer zitten, dus ik zorgde er wel voor dat ik het wapen zo min mogelijk gebruikte, ook al omdat het schoonmaken geen pretje was. Voor geënsceneerde actiefoto’s, zoals hiernaast, was de sten decoratief genoeg.

Als compagniessergeant-majoor (CSM) hadden wij de sergeant-majoor Koenen. Zijn reputatie als ‘Spieß’ 5) was hem vooruitgesneld: hard, maar rechtvaardig. Hij eiste van ‘zijn’ onderofficieren onvoorwaardelijke loyaliteit aan de dienst. Wie de kantjes er afliep of anderszins streken uithaalde, was buitengewoon zuur, maar wie goed werk afleverde, kon rekenen op zijn waardering. Toch was de meerderheid er niet rouwig om, toen ‘de dubbele’ na een paar maanden werd overgeplaatst naar Nederland en we met een iets mildere CSM te maken kregen.

5) Der Spieß (de speer), bijnaam voor een Duitse Compagnies Sergeant-majoor, ‘de moeder van de compagnie’. De Nederlandse CSM was herkenbaar aan een dubbele gouden streep (vandaar zijn bijnaam ‘de dubbele’ ) met daarboven een door twee lauwertakken omgeven zilveren kroontje.

Oefenterrein Bergen-Hohne

Kamp Hohne lag aan de rand van de enorme oefenheide die als zodanig al voor de oorlog door de Wehrmacht was ingericht om grote oefeningen te kunnen houden. Dat had 24 dorpen en een aantal verspreid liggende boerenhoeven gekost, maar nu had het leger de beschikking over een aaneengesloten terrein van 284 km² waar op brigadeniveau oefeningen met rupsvoertuigen konden worden gehouden en waar op een ruim aantal schietbanen het schieten met scherp door tanks en vanaf andere legervoertuigen 6) kon worden beoefend. Geschoten werd op een paar buiten gebruik gestelde tanks, die er daardoor niet uitzagen. In het midden van de Truppenübungsplatz bevond zich een bunker die in de wandeling de Hitlerbunker genoemd werd omdat vanuit deze bunker Adolf Hitler zich destijds zelf met enige regelmaat op de hoogte stelde van de vorderingen van ‘zijn’ troepen.

Links: met sgt. Ton de Groot en de MTO-Munga bij de Hitlerbunker. Rechts: met sgt. Giel de la Haye hangend aan de Hitlerbunker.

6) Bijvoorbeeld met TLV’s (TerugstootLoze Vuurmond) vanaf een Jeep of met een .50-mitrailleur vanaf een Dikke DAF of een Jeep.

Rondom het terrein liep een betonnen weg, de Panzer Ringstrasse, die ook met rupsvoertuigen bereden mocht worden.  Direct aan die weg lag de Legerplaats Hohne, waar wij waren ondergebracht. Binnen het oefenterrein bevonden zich een paar archeologische vindplaatsen, die ontzien moesten worden, zoals de Sieben Steinhäuser, een groepje prehistorische hunebedden. Ook taboe was het Russisch kerkhof waar Russische krijgsgevangenen begraven lagen.

Gedenkteken ‘De treurende’ op het Russische krijgsgevangenen-kerkhof. Het reliëf is van de hand van de Oekraïense beeldhouwer Mykola Muchin (1916-1962). Het werd in 1980 door vandalen vernield en vervolgens vervangen door een kopie (rechter foto). Het origineel bevindt zich in het museum van Gedenkstätte Bergen-Belsen.

De kazerne van Hohne was primair bedoeld om eenheden te huisvesten die aan de oefeningen in het terrein deelnamen. Maar er was nog een reden geweest om hier een forse kazerne te stichten: op een steenworp afstand van de kazerne lag het concentratiekamp Bergen-Belsen. De bewaking van dat kamp was destijds ondergebracht in dezelfde kazerne die ons huisvesting bood. De kazerne was blijven staan, in tegenstelling tot het vernietigingskamp, dat door de Amerikanen na de bevrijding met de grond gelijk gemaakt werd vanwege het risico van besmetting met tyfus en luizen. Het terrein werd heringericht als Gedenkstätte Bergen-Belsen, voor ieder Hohne-militair verplicht bezoekdoel.

Nederlandse tekst op de gedenkmuur van Bergen-Belsen.

Als wij vanuit Nederland met de trein aankwamen, stopte de trein langs hetzelfde perron waar destijds de veewagens uit heel bezet Europa hun gedoemde lading losten. Vandaar ging men onder zware bewaking te voet naar het kamp, een paar kilometer lopen. Voor ons stond gemotoriseerd vervoer klaar om ons naar de kazerne te brengen.

Wegtransport

Wie om de een of andere reden (zoals ik, toen mijn grootmoeder plotseling overleed) niet met de trein naar of vanuit Hohne kon reizen, moest met het wegtransport, een colonne met niet alleen personenvervoer, ook goederen gingen mee. De AAT (Regiment Aan- en Afvoertroepen) verzorgde dat wegtransport. Dit was de route, 320 km tot Apeldoorn (waar je de trein naar huis kon nemen).

Urenlang zat je dan achterin een DAF YA314 en als sergeant was je meestal de pineut als bakcommandant, dat wil zeggen dat jij bepaalde, wanneer de klep naar beneden ging en wie er als eerste mocht uitstappen.  Onderweg werd natuurlijk af en toe gestopt voor een sanitaire pauze of hoogstens koffiedrinken, voor zover ik me herinner. Verder werd je, lange tijd achterin zittend op een houten plank, ongewild geconfronteerd met het fenomeen DAF-lul, een krachtige erectie die veroorzaakt werd door de trillingen waaraan het militaire voertuig onderhevig was. Route-tabel hier klikken voor grotere weergave.

Oefenen

Ons dagelijks leven stond in het teken van oefenen. Soms waren dat aangekondigde oefeningen, soms ook niet. Zo schreef ik in juli 1963 aan mijn vriendin:

“We zijn plotseling op oefening gegaan. Maandagmiddag afgetaaid naar het Steinhuder meer in de buurt van Hannover. Daar werd ik als groepscommandant gedropt met 3 man. We moesten infiltreren door de vijandelijke linies (van Commando’s) heen, tot aan het meer. Nou, dat ging allemaal erg vlot, zodat ik als eerste arriveerde bij het meer. Daar werden we in een rubberboot overgezet. De laatste 10 meter door het water gelopen tot aan het middel. Op de wal ontvangen door spervuur. Snel omtrekkende beweging gemaakt, drie km gelopen tot aan het einddoel, waar we een café indoken om even op verhaal te komen. Allemaal keurig geregeld, als je hoort wat anderen is overkomen: 10 man zijn krijgsgevangen gemaakt en hebben een hersenspoeling ondergaan, waarbij 9 van de 10 zijn doorgeslagen. Eén sergeant heeft bij een handgemeen een steek van een bajonet opgelopen en inwendige kneuzingen. Een man heeft zijn wapen in het meer laten vallen en hele massa’s hebben moeten zwemmen, omdat de boot af en toe afdreef naar dieper water. Ik lag al om half vijf te bed, maar de laatsten kwamen om half negen vanochtend aanstruinen.”

Wie krijgsgevangen werd gemaakt, kreeg dit label aan zijn jas bevestigd. Er werd beweerd, dat je bij geringe medewerking aan de ondervraging op de motorkap van een jeep werd vastgesnoerd, die vervolgens even een ritje door het terrein maakte. Maar er gingen wel meer verhalen….

Wat ik niet aan mijn vriendin schreef, om haar niet te verontrusten, was dat we onderweg naar het Steinhuder Meer plotseling op een meisjesinternaat stuitten. De meisjes waren net naar bed aan het gaan met de gordijnen open. Ik verbood mijn groepje om hun aandacht te trekken. De meisjes zouden zich rotgeschrokken zijn van vier gecamoufleerde, bewapende militairen en ongetwijfeld onze positie verraden hebben door het op een gillen te zetten.

Een dierbaar briefje uit 1963

Sj. de Hartog

Kunt U morgenvroeg direct na het appèl Kik naar de garage sturen voor z’n Web nog iets bij te verven, die moeten morgenvroeg direct naar de T.D. toe, deze wagen heeft buiten gestaan en is weer een beetje geroest.
Ook de chauffeur van de KX 73-53 Nekaf, Schram of ’n andere chauffeur die dit werk kan doen, ik reken op u, sjergant. Smakelijk eten voor straks,
Kpl. Bartels

Als MTOO viel ook een garage met vier monteurs onder mij, waar de eerstelijns reparaties aan de voertuigen werd verricht. ‘Garage’ was eigenlijk teveel gezegd. De compagnie beschikte over een ‘toolset’, een DAF YA328 met een verhoogde huif. Deze drietonner stond op een kilometer afstand van ons compagniesgebouw op het kazerneterrein geparkeerd, op een plek met een smeerkuil en aansluitingen voor perslucht en water. De jongens waren daar zo vrij als een vogel, dat zou in Seedorf wel anders worden.

Het wagenpark van de StStCie41PaBrig in Hohne (foto auteur)

Werkplaatsbaas was de dienstplichtig korporaal Bartels, in het burgerleven automonteur en een Limburger waar je absoluut op kon rekenen. Zijn betrouwbaarheid –die ook uit bovenstaand briefje spreekt- was dan ook beloond met het korporaalschap, de hoogste rang die je als soldaat zonder kaderopleiding kon bereiken. Het woord sergeant heeft kpl. Bartels nooit foutloos kunnen schrijven en ook stilistisch gezien is het briefje geen pronkstuk, maar het is me als herinnering dierbaar. Wel is duidelijk, hoe de verhoudingen in de zestiger jaren lagen, in ieder geval binnen het leger. Een sergeant werd met u aangesproken, voornamen waren ongebruikelijk. Het was ‘sergeant Den Hartog’ en ‘korporaal Bartels’. Ik heb meer dan een jaar met Bartels samengewerkt, maar hoe zijn voornaam luidde, wist ik niet en weet ik ook nu nog niet.

 Appèl voor ons Compagniesgebouw in Hohne. Vijf pelotonssergeants -ik sta links- voor de troep, groeten hun (plaatsvervangend) compagniescommandant elt. B. Westerhoud.

Soldaat Kik over wie het eerste deel van het briefje gaat, was de chauffeur van een Weapon Carrier (een DAF YA126, in de wandeling een Wep of Wepje genoemd), een heel vervelend type voertuig om te rijden, meestal uitgerust met een radioset en bovendien ideaal om tijdens bivak als ‘camper’ te gebruiken, dat dan weer wel. TD staat voor Technische Dienst, waar auto’s naartoe gebracht werden voor ingewikkelde reparaties die onze eigen toolset niet kon of mocht uitvoeren. In ons geval was de TD niet naast de deur, maar was gevestigd in Celle, in een oude SS-kazerne, ongeveer een half uur rijden van Bergen-Hohne.

Links: DAF YA-328 Toolset, hier op een legerdump. Rechts: Korporaal Bartels repareert de remleidingen van de BOS-DAF (foto auteur).
Sgt. Den Hartog maakt een proefrit in een MUNGA.

Kon het voertuig daar niet gerepareerd worden, dan moest het op een Low-Loader (een LoLo in ons eigen jargon) naar Nederland vervoerd worden en waren we het maanden kwijt of op z’n militairs gezegd ‘was het voertuig niet inzetbaar’. Soldaat der Eerste klasse H.J.C. Schram was de chauffeur van een Jeep Nekaf (Nederlandse Kaiser Fabriek), het klassieke, maar in de vijftiger jaren aangepaste Amerikaanse Willy’s jeepmodel, nog tijdens mijn diensttijd vervangen door de Duitse DKW-Munga 7) die aan robuustheid miste wat de Nekaf wel had, maar wel een stuk comfortabeler was. Er zaten o.a. canvas deurtjes en verwarming in, een ongekende luxe voor wie de spartaanse Jeep gewend was.

7) MUNGA = Mehrzweck UNiversal Geländewagen mit Allradantrieb.

De fabriek waar de NEKAF-jeeps geassembleerd werden, stond in Rotterdam (Sluisjesdijk). Van 1954 tot 1957 rolden daar in opdracht van Defensie 5674 jeeps van de band. In 1958 ging het bedrijf failliet, maar dat lag vooral aan de verminderde vraag naar grote personenwagens (Kaiser was een nevenmerk van Ford).

Amusement

Natuurlijk wilde je ook wel eens buiten de poort kijken. Voor onderofficieren gold geen avondappèl, dus dat was geen probleem. Het dichtstbijzijnde dorp was Belsen, aan de overkant van de Panzer Ringstrasse, een handjevol huizen waar hoegenaamd niets te beleven viel. Dan moest je toch naar Bergen, een afstand van ruim 3 kilometer. Soms liepen we die, maar meestal liftten we of namen een taxi.

Bergen, veel meer dan deze hoofdstraat was het niet.

Ook Bergen was niet veel, maar er was tenminste een Tanzlokal, een café-dancing, nu zou je zeggen een discotheek, een duister hol met neonlicht waar Engelsen en Nederlanders en een enkele Duitser zich vermaakten met Duitse meisjes, allemaal vrij onschuldig. Het was daar dat ik voor het eerst een plaatje hoorde draaien van The Beatles, Twist and Shout 8) en dat kwam bij mij aan als een bliksemschicht. Dit was iets heel nieuws, dit was het helemaal! Twist and Shout kon niet vaak genoeg gedraaid worden en bij het eerstvolgende verlof schafte ik mij het singletje aan.

8) Twist and Shout (mei 1963) was geen origineel Beatles nummer, maar een cover van het gelijknamige liedje van The Isley Brothers,

Dan had je richting Fallingbostel in Alt-Hohne de Krawattenbar, waar de afgesneden stropdassen aan het plafond hingen met de kaartjes van de eigenaar eraan.  De meisjes waren er net iets toeschietelijker dan in Bergen. Naar de Krawattenbar gingen we wel eens met de VW-Combi als er een feestje in de O.O.-mess was en kwamen dan met een busje met Duitse meisjes terug.  ‘Je wordt thuisgebracht’… Daar mocht de MTOO dan voor zorgen.

Links: feestje bij kaarslicht in de Onderofficiersmess. Met bril sgt. Snijders, onderuitgezakt sgt. C.J.  Ek, daarnaast sgt. W.C.J. de la Haye. Op de achtergrond sgt. R.J. den Hartog en sgt. A. Marks.
Rechts: Sgt. Den Hartog (in burger) speelt piano in de O.O.-mess. Sgt. Jonker kijkt toe.

Een van mijn mede-sergeants had een relatie met een getrouwde Duitse in een dorp verderop. Ieder weekend vertrok hij naar zijn vlam. Haar man werkte kennelijk ergens anders. Een andere collega had een vriendinnetje in Bergen, Elvira. Toen hij afzwaaide, had hij dat niet tegen haar gezegd en kreeg ik van deze Oude Stomp de opdracht haar het slechte nieuws brengen. Dat kwam hard aan, maar Elvira schikte zich na veel tranen in haar lot en we hadden nog best een gezellige avond.

Passagieren met een Weapon Carrier (DAF YA 126) v.l.n.r. sgt. Bartels, sgt. Peters, sgt. Den Hartog en sgt. Smit.
Schützenfestpul (coll. RdH)

In het weekend gingen we meestal ‘passagieren’. Wie een auto had, toen nog maar een enkeling, was dan bijzonder populair. Of ik deed bij de kapitein het verzoek om de VW-Combi beschikbaar te stellen voor passagieren. Dat mocht doorgaans wel, mits we een niet-drinkende soldaat-chauffeur lieten rijden. Buitengewoon in trek was een bezoek aan een Schützenfest in de buurt. Daar was meestal een soort kermis aan verbonden, in ieder geval vloeide het bier rijkelijk: 10 pfennig voor 0,1 liter, in piepkleine dikwandige pullen die niet kapot konden vallen. Zie foto. En je kon in ieder geval op alle mogelijke manieren je schietvaardigheid bewijzen.

Op de legerplaats zelf kon je bij de Engelsen naar de bioscoop in de Globe Cinema of je bracht een bezoek aan het Round House, een halfrond (de naam zegt het al) verzamelgebouw (in de Duitse tijd Offiziers-Heim), waarin b.v. ook een Engels warenhuis gevestigd was, waar je van alles en nog wat kon kopen, van meubelen tot geluidsinstallaties en Schotse whisky.

Naar de kermis in Walsrode. Passagierend kader StStCie 41PaBrig.

Benzine, olie, smeermiddelen (BOS)

Ergens aan de weg tussen Bergen en Celle had Defensie een benzinedepot ingericht ten behoeve van de in Hohne gelegerde eenheden, waaronder de mijne. Vanaf de weg was het depot niet zichtbaar, het lag verscholen in de bossen, alleen een voor burgers onbegrijpelijke militaire afkorting BOS 9) verwees ernaar.

Eens in de zoveel weken was een van de onderofficieren vierentwintig uur lang wachtcommandant van het depot. Je was dan -als 21-jarige- verantwoordelijk voor de opslag van tienduizenden liters benzine die in jerrycans in piramidevormige blokken gestapeld stonden. Het depot was omheind met veel rollen prikkeldraad. Er was één in- en uitgang en daar stond ook een houten chaletje zoals je dat ook wel als receptie van een camping ziet. Daarin huisde de wacht (vier soldaten) en de wachtcommandant. Iedere twee uur werd de wacht die aan het hek stond, de portier, afgelost. Verder werden er rondes gelopen om te inspecteren of het prikkeldraad ongeschonden bleef en of zich geen verdachte individuen in de nabijheid van het depot ophielden. De nachten waren het moeilijkst, volstrekte eenzaamheid, je hoorde geritsel in het bos van nachtdieren (althans je hoopte dat het dieren waren, om rotzooi zat niemand verlegen) en af en toe riep er een uil. Minstens één keer in die vierentwintig uur, je wist nooit wanneer, kwam de Officier van Kazernepiket 10) uit Celle 11) kijken of iedereen braaf zijn plicht deed en niet in slaap gevallen was. Overdag kwamen de DAF-trucks uit Hohne om jerrycans te halen en de lege in te leveren (leeg tegen vol). De administratie werd bijgehouden door personeel van de Intendance (de 41e BeVoCie, de Bevoorradings Compagnie).

Het overladen van jerrycans van de ene BOS-DAF in de andere (foto van internet).

9) B.O.S. waren de zgn. Klasse III-goederen (Klasse I is voeding en water, Klasse II uitrustingsstukken), Klasse V is munitie).
10) In de wandeling heette deze functionaris de Piketboer of de Piketslet. De Officier van Kazernepiket is verantwoordelijk voor de handhaving van rust en orde op het kazerneterrein en houdt toezicht op de kazernewacht. Het kazernepiket wisselt, net als de wacht, om de 24 uur.
11) In Celle, in een oude SS-kazerne aan de rand van de binnenstad was de Technische Dienst (41e Herstelcompagnie Detachement, de 131 TankherstelCie en de TD129Munavplcie) gelegerd. Daar werden militaire voertuigen en tanks die niet door het eerste echelon (d.w.z. op compagniesniveau) gerepareerd konden worden, onder handen genomen of in het ergste geval van daaruit naar Nederland overgebracht.

Wie in Celle gelegerd was, zoals de jongens van de Technische Dienst, had als voordeel dat je het stadje in kon, wat vergeleken bij het afgelegen Kamp Hohne een groot goed was. Celle had o.a. een stripteasebar Zum Teufel, die wij 1 keer bezocht hebben (7 man in een gehuurd Opeltje), eens maar nooit weer. Aan mijn vriendin deed ik beperkt verslag van deze in drank gedrenkte avond en de afloop ervan: “Twee van de maten sliepen in de wagen in mijn armen en moesten naar binnen gedragen worden. Een ander was aan de grens van het delirium en bleek een groot reclamebord voor Eiskrem meegenomen te hebben, waarmee we nu zitten. Al met al een zeer geslaagde avond.

De legeringsgebouwen in Celle waren overigens niet of nauwelijks verwarmd. Toen ik in Hohne kwam, was net de extreem strenge winter van 1963 achter de rug. Dick van der Meyden (131 TD Tankherstelcompagnie) herinnert zich dat toen enkele voertuigen binnen in de werkplaats bij de kachel werden gezet, zodat die de rest op gang konden helpen. De manschappen hadden die luxe niet. Ze kropen na het ontbijt in een DAF YA 328 en verkleumden op de harde bankjes.

Verzorgingsdetachement 41 PaBrig, Kazerne Celle (met dank aan Leo Swinkels).

Terug naar Hohne

Nog één keer ben ik teruggegaan naar Hohne, in 1993, na een privébezoek aan Berlijn. Er stonden huzaren aan de poort en nadat ik de wachtcommandant had uitgelegd dat ik hier gelegerd was geweest, was er van die kant geen enkel bezwaar tegen om -samen met mijn vrouw- het terrein van de legerplaats te betreden. Compagniesgebouw M.B.54 was flink opgeschilderd en opgeknapt. In plaats van drietonners, jeeps en AMX-en stonden nu particuliere auto’s op ‘ons’ parkeerterrein. De angel was eruit, het grimmige karakter van onze superparate eenheid, gereed om uit te rukken, was definitief vervlogen.

Terug van weggeweest, Rudo den Hartog voor het voormalige Compagniesgebouw MB 54 (1993). Uiterst links de voormalige eetzaal en  O.O.mess.

Rudo den Hartog 2021

Naar het volgende deel: Seedorf


naar top↑