Verhaal van een ‘super-ouwe-Nato-joekel’ (deel 2)

KSI-patjes ‘Nulli cedo’ (Ik wijk voor niets) en KSI-lepeltje

Na twee maanden basisopleiding pakte iedereen zijn PSU in een plunjebaal, stapte in een militaire bus en werd verplaatst naar zijn nieuwe kazerne. Daar begon een nieuwe fase: de Voortgezette Opleiding oftewel de V.O. In mijn geval werd dat de Kader School Infanterie (KSI) die gevestigd was in de Isabella-kazerne in Vught, aan de rand van Den Bosch tussen de spoorlijn naar Eindhoven en een afwateringskanaal. De bosjes tussen het kanaal en de kazerne zijn nu hoog en ondoordringbaar geworden, maar dit overgeschoten gebiedje stond bekend als de Kieteltuin, waar jonge Bosschenaren hun oefeningen in liefde en lust hielden.

Isabellakazerne

De Isabellakazerne (thans Rijksmonument) was gebouwd op de grondvesten van Fort Isabella dat nog uit de 80-jarige oorlog dateerde. Aan het verleden herinnerde een centraal gelegen poortgebouwtje, De Puist, opgericht in de 18e eeuw. De kazerne zelf stamde uit 1910 en had o.a. gediend als onderkomen voor het inmiddels opgeheven Regiment Wielrijders.

De Puist, Isabellakazerne

In de oorlog werd de kazerne door de SS en de Landweer (NSB) bemand, na de oorlog als opleidingskazerne voor de Infanterie. Na de opschorting van de dienstplicht is de kazerne in gebruik geweest als opvangcentrum voor vluchtelingen uit het voormalige Joegoslavië, daarna is het omgevormd tot asielzoekerscentrum. Tot 2007 deed het complex dienst als deportatiecentrum voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Thans is de Isabellakazerne tijdelijk in gebruik als huisvesting voor studenten en bedrijven in afwachting van een definitieve bestemming.

Ook de stormbaan is er nog, maar die ligt erbij als een verwaarloosde en onschuldige kinderspeeltuin. Lang gras, graffiti en gebrek aan onderhoud hebben het object ontdaan van zijn grimmige bedoeling: opleiden tot professional killer in de laatste fase van de aanval, de stormloop op de vijand waarbij obstakels moeten worden overwonnen culminerend in het man-tegen-man-gevecht. Hier leerden we de techniek van het geweervechten te perfectioneren zoals die ons in grote lijnen al in de basisopleiding was bijgebracht. Ook hier oefenden we op met stro gevulde poppen. Eerst een rondje rennen rond het voetbalveld om de uitputting tijdens de veldslag op te roepen en dan steken maar. De stropoppen vochten niet terug.

De sergeant die ons lesgaf, was oorspronkelijk afkomstig uit het voormalig Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL). Hij adviseerde ons –praktijktip!- om de bajonet in het lichaam van de tegenstander altijd een kwartslag te draaien, zodat de toegebrachte wond zo groot mogelijk werd en moeilijk zou genezen. De kaderopleiding was pittig, de aspirant-onderofficieren werden behoorlijk afgeknepen. Aan mijn vriendin schreef ik: “Maandag hebben we velddienst gehad. Overdag heerlijk geschoten met losse flodders bij ‘groep in de aanval.” ’s Avonds in speedmars-tempo (7 km / uur) naar huis gelopen, afgemat, maar zonder blaren’. En dat middenin een ijzige winterkou, want de winter van ‘62/’63 was buitengewoon streng.

Wilhelmina

Uitvaart Prinses Wilhelmina (foto: Nationaal Archief)

Op 28 november ’62 overleed Prinses Wilhelmina, de oude koningin, en op 8 december moesten wij de afzetting vormen voor de begrafenisstoet die zich van Den Haag naar Delft begaf. Dat betekende nog vroeger op dan anders, met drietonners naar vliegveld Ypenburg en van daaruit werden we uitgezet langs de route. Met mijn mede sergeants-in-opleiding stond ik ter hoogte van de Hoornbrug in Rijswijk op een precies aantal uitgemeten passen uit elkaar. Achter ons verzamelde zich zwijgend het publiek. Na lang wachten op de plaats rust naderde de witte rouwstoet. Wat je hoorde was het geratel van de wielen, de paardenhoeven, de omfloerste trommels van het militaire tamboerkorps en het ‘Presenteer geweer’ dat als een wave door de gelederen ging.

Ik zag de neutraal kijkende koninklijke familie, allemaal in het wit behalve Bernhard die een zwart mariniersuniform aanhad. Koud was het wel en aangezien de stapvoets rijdende stoet nogal lang was, bleek het langdurig presenteren van het geweer geen lolletje. Maar goed, het leverde wel een dag prestatieverlof op.

Oud- en Nieuw

Met Oud- en Nieuw zat ik binnen: wachtdienst. Vanwege de extreme kou mocht de wacht aan de poort heen en weer lopen en hoefde geen twee uur op één plek te blijven staan. Maar toch …   Wel kregen we op 3 januari een Nieuwjaarsdiner aangeboden dat klonk als een klok. Het menu (zie onder) was kennelijk ook voor analfabeten bedoeld.

Orde en tucht stonden dus in deze opleiding voorop, anders kon je blijkbaar geen goede tirailleursergeant worden. Uit de brief aan mijn vriendin: “Ze gunnen je gewoon geen tijd om je uitrusting goed te poetsen. Als je ’t niet af kunt krijgen, moet je maar op de plee gaan zitten en daar (’s nachts uiteraard) verder poetsen.

MTOO-opleiding

Het beviel mij maar matig en toen zich een mogelijkheid voordeed om iets anders te gaan doen, greep ik die met beide handen aan. Die mogelijkheid was de opleiding tot MTOO, Motor Transport OnderOfficier. Ik had een rijbewijs, dat strekte tot aanbeveling, en bovendien, ik wist toevallig wat MTOO betekende, want een vriendje uit Utrecht had me aangeraden om daarop aan te slaan. Uit mijn hele lichting werden zeven man ‘uitverkoren’ om de opleiding te doen. Die werd ook op de Isabellakazerne gegeven, in een hoekje met garages waar DAFs en Jeeps perfect in lijn geparkeerd stonden. Hoe je dat voor elkaar kreeg, zouden we gauw genoeg onder de knie krijgen.

De MTOO-ploeg van lichting 62-5 heeft zojuist zijn korporaalsstrepen ontvangen
De auto van sgt. Hendriks (een legergroene Renault) wordt afgespoten.

De baas van de MTOO-opleiding was een beroepssergeant der eerste klasse: sgt I. Hendriks. Deze bebrilde AAT-er was burgerlijk tot in zijn haarvaten, maar kundig, vaderlijk en anti-autoritair.  Hij had enkele beroepskorporaals onder zich die ons rijles moesten geven, want het streven was dat we allemaal ons militair groot rijbewijs zouden halen. Een burgerrijbewijs was leuk, maar daar kon je niet mee terreinrijden, laat staan een zware drietonner mee besturen. Dus kregen we les in de Jeep NEKAF, de YA 126 (de Weapon Carrier, liefkozend het Wepje genoemd) en de YA 328, bijgenaamd de Dikke DAF. Zelf reed Hendriks van dienstwege in een legergroene Renault-bestelwagen, die door ons werd onderhouden.

De MTOO-kamer tijdens de lunch.

Als MTOO-ers in opleiding werden we nu afgezonderd van de rest van de aspirant tirailleursergeanten en we kregen met z’n zevenen een aparte kamer in een van de legeringsgebouwen.  Dat was een stuk beter dan de zaal waar we eerst waren ondergebracht. Daar lagen ruim twintig man te ronken en door het bovenlicht kwam af en toe sneeuw naar binnen. De strenge tucht die we gewend waren, ontbrak bij de MTOO-opleiding geheel. Er heerste een aparte, ontspannen sfeer.  We hadden inderdaad het gevoel tot de uitverkorenen te behoren. 

Het heeft gesneeuwd en we gaan toch rijden. Het dragen van een binnenhelm is verplicht, gordels heeft een Jeep niet, evenmin als verwarming of deuren.
Lesrooster (opklikken voor grotere weergave)

De korporaal der eerste klasse die mij als rijinstructeur was toegewezen, was een blozende blonde Brabander. Hij stak ruimschoots boven mij uit, noemde me ‘Kleintje Pils’ en was na ieder verlofweekend ongezond nieuwsgierig naar mijn intieme belevenissen, zodra hij erachter was gekomen dat ik al enige tijd ‘verkering’ had. Tijdens de rijlessen, die uren duurden en die mij een gedegen kennis van een stuk Noord-Brabant en met name van de hoofdstad Den Bosch bijbrachten, had de korporaal daar alle gelegenheid voor. Het was aan mij om zijn kruisverhoor zo neutraal mogelijk te pareren. Het was nogal koud die winter, maar dat gaf de korporaal de gelegenheid om zijn kennis van het vrouwelijk geslacht te etaleren: zijn stelling ‘met dit weer hebben ze zulke kleine kutjes’ onderstreepte hij met een gebaar dat de minuscule omvang van het betreffende lichaamsdeel onder deze weersomstandigheden moest illustreren. En dat terwijl ik mijn uiterste best deed om me te concentreren op het schakelen met dubbel clutchen, want een Dikke Daf heeft nu eenmaal geen gesynchroniseerde versnellingen, terwijl ik tegelijkertijd het verkeer in de binnenstad van Den Bosch in de gaten moest houden. Naast de praktische rijopleiding kregen we ook theorielessen: motorkennis, onderhoud, verkeersles, colonnerijden en administratie. Dat laatste hield onder andere in, dat we  rijopdrachten leerden in te vullen. Iedere rit met een militair voertuig moest verantwoord kunnen worden en daar lag een belangrijke taak voor de MTOO. Die mocht n.l. de rijopdrachten ondertekenen. Van die bevoegdheid heb ik, eenmaal bij de parate troep, heel veel gebruik gemaakt, en eerlijk gezegd ook wel als een ritje niet helemaal ‘in het belang van de dienst’ leek.

Rijopdracht (opklikken voor grotere weergave)

Aan de achterkant van de rijopdracht moest de chauffeur zijn bevindingen ten aanzien van de toestand van het voertuig noteren, het zgn. eerste, halt- en laatste appèl. Dat draaide in de praktijk meestal uit op een formaliteit, omdat iedereen wel wist hoe het met de toestand van zijn voertuig gesteld was.

Naast de theoretische lessen, soms opgeleukt met een instructiefilmpje, moesten we ook aan de slag in de garage: eindeloos wielen verwisselen, olie verversen en sleutelen aan de verschillende motorvoertuigen. Gelukkig maakte ik kennis met het fenomeen ‘garagezeep’. Nooit geweten dat er iets bestond waarmee je je handen in een keer schoon kon krijgen, hoeveel doorsmeervet of afgewerkte olie er ook op zat.

De opleiding duurde vier maanden en hield ook een maand detachering in Tilburg in, waar in de Willem II-kazerne de basisopleiding van het Korps Aan- en Afvoertroepen was gevestigd.

Ons militair rijbewijs hadden we toen al op zak. Vanwege de extreme weersomstandigheden -het was een bitterkoude winter met veel sneeuw- werd ons het examenonderdeel terreinrijden voor Jeeps kwijtgescholden. Wel moesten we een dag naar Oirschot waar een speciaal circuit voor het terreinrijden met Dikke DAFs en pantservoertuigen was uitgezet. Het rijbewijs dat we op 22 maart 1963 ontvingen, was geldig voor het besturen van militaire ‘wielvoertuigen met een maximum laadvermogen van 3 ton of eigen gewicht van 5 ton.’

De opleiding werd afgesloten met een meerdaagse rit door Brabant en Zeeland. In colonne, waarbij we om beurten colonnecommandant moesten zijn. We overnachtten in een boerenschuur in het hooi naast het zwijnenhok in onze legerslaapzak, en aten noodrantsoenen, hetgeen overigens geen straf is. Maar ’s avonds, in de rokerige huiskamer van de boerderij, kwam wel de fles met Brabantse jenever op tafel. Sergeant Hendriks had zo zijn adresjes. We reden iets van 500 kilometer door Brabant en Noord-Limburg, zetten de hele colonne op een pontveer en brachten de tweede nacht door te Tienray aan de Maas, in Hotel Klein Lourdes, gedreven door de koster van de Lourdeskapel aldaar en zijn vrouw.

Links: Hotel Klein Lourdes in Tienray aan de Maas. Zo te zien geen sterren-locatie. Voor de ‘garage’ onze Dikke Daf en de Renault van sgt. Hendriks.
Rechts: Hotel Klein Lourdes is ingrijpend verbouwd tot woonhuis en ziet er nu zo uit.

Ook hier wisten we hem nog even te raken. ’s Nachts wachtlopen van 2 tot 3 uur om op de voertuigen te passen bij een kerktoren die ieder kwartier het Ave Maria ten gehore bracht.

Bij het voltooien van onze MTOO-opleiding kregen we dan eindelijk onze ‘strepen’, glimmend goud op je mouw, trots als een hond met zeven lullen waren we. Maar meteen deed het advies de ronde om de strepen met schoensmeer bruin en dof te maken, kunstmatig te verouderen, zodat je niet meteen als ‘fillersergeant’ door de mand viel. Want dat kon je bij de parate troep nog behoorlijk opbreken.

Afgeleverd als kant-en-klare MTOO kregen we stuk voor stuk onze nieuwe bestemming te horen. In mijn geval was dat de Willem George Frederik kazerne in Harderwijk, waar o.a. de Militaire Inlichtingendienst met bijbehorende opleiding gevestigd was, maar er werd meteen bij aangetekend dat dit niet mijn definitieve bestemming zou zijn.
Foto rechts: Sgt. Den Hartog met zijn verse strepen.

Tussenstation Harderwijk

Ik werd in Harderwijk gelegerd op een kamer met andere onderofficieren, dat was alles, zelfs aan de ochtendsport hoefde ik niet mee te doen. Van mij werd niets anders verlangd dan te wachten tot over mijn uiteindelijke bestemming was beslist. Aan de indelingsofficier had ik al laten weten dat uitzending naar Duitsland mijnerzijds niet op bezwaren zou stuiten en na een week kwam het verlossende woord: sergeant Den Hartog kan -boven de sterkte- worden ingedeeld als MTOO bij de Staf Staf Compagnie van de 41e Pantser Brigade, gelegerd in Kamp Hohne (Duitsland). Ik werd nu eerst overgeplaatst naar Ermelo, want van daaruit moest ik hetzij met het wegtransport (d.w.z. achterin een YA 314, een legervrachtauto) hetzij met de speciale trein (in de terminologie van de doorgewinterde Hohnegangers: de Balen-express) naar Bergen-Hohne reizen.

Links: Willem George Frederikkazerne Harderwijk, rechts: Generaal Spoorzazerne (Legerplaats Ermelo)

De kazerne in Harderwijk was al niet veel, maar die in Ermelo was van zo’n deprimerende ongezelligheid, dat ik blij was dat ik hier niet langer dan een paar dagen hoefde door te brengen. Begin mei was het zover. Met de trein naar Duitsland.

Filler

Ik kon er niet omheen: ik was een filler. Tegenwoordig zijn fillers alleen bekend als product van de cosmetische industrie. Door inspuiting met fillers zou je (tijdelijk) rimpels kunnen wegwerken en veel dames geloven daar heilig in. In de 60-er jaren van de vorige eeuw waren fillers nog gewoon dienstplichtig soldaten die volgens het fill-in-systeem werden ingelijfd: de opkomende lichting vervangt de afzwaaiende lichting, zodat het leger altijd op sterkte blijft. ‘Filler’ werd algemeen als scheldwoord gebruikt voor een dienstplichtige die van toeten noch blazen wist, de onnozele die nog anderhalf jaar voor de boeg had, kersvers afgeleverd door de opleiding die hem discipline, orde en regelmaat had bijgebracht. Bij de parate troepen zag dat er heel anders uit.

Nieuwe fillers werden doorgaans bij aankomst op een ontgroeningsritueel getrakteerd (zoals ‘een wasbakje’, een onderdompeling in het waslokaal, gekleed of ongekleed) en het eerste wat ze ingeprent kregen was: eerbied voor de Oude Stomp.

Op de wijze van ‘Op de grote stille heide’ bracht een weemoedig lied dat uitzichtsloze fillerbestaan op onnavolgbare wijze onder woorden:

‘Op de grote stille heide loopt een filler eenzaam rond.
Met zijn pasgepoetste schoenen zoekt hij naar de Oude Stomp.
[Oude Stomp:] ‘Hoe lang nog, gij filler ? Hoe lang nog, gij filler ?
[Filler:] ‘Nog berenlang’.

Filler-chauffeurs werd steevast het ‘trailerexamen’ afgenomen. ‘Heb jij eigenlijk een trailerrijbewijs, filler?’  ‘Eh….’  De aarzeling was voldoende om de filler een monsterlijk moeilijke achteruitrijproef te laten doen met een NEKAF-jeep en een trailertje, waarbij het circuit met gevulde benzinejerrycans werd gemarkeerd. ‘Als je ze raakt, vlieg je de lucht in, filler’.

Filler-af was je pas als de volgende lichting bij de parate troepen kwam, dus na twee maanden. Daar moest op gedronken worden, zoals eigenlijk op alles wat de burgermaatschappij dichterbij bracht.

Op de manschappen WC trof je opbeurende opschriften aan als ‘Filler, wees niet bevreesd. De oude stomp is hier geweest’ en dan wist je dat het wel goed zat. Maar voordat je Oude Stomp werd, moest er nog heel wat gebeuren.

Overigens, het OudeStomp-schap –dat ongeveer een half jaar voor het afzwaaien begon, dus als je er meer dan een jaar dienstplicht op had zitten, kende ook verschillende gradaties: Subsemi-Oude Stomp, Semi-Oude Stomp, Super Oude Stomp (ook Super Oude Poep of Super Oude Joekel, maar dat was je pas de laatste maand voor het afzwaaien. Vanaf het moment dat je nog honderd dagen, dus ruim 3 maanden, voor de boeg had, knipte je van een huishoudcentimeter iedere dag 1 centimeter af. ‘Hoeveel centimeter nog?’ was dan ook een veelgestelde vraag. Verder was de Oude Stomp vooral moe. Hij liet geen moment onbenut om dat te benadrukken. Je had alles al gezien en verlangde naar de hoogste rang, die van ‘burger’.

Ik kwam dus als kersverse fillersergeant bij de superparate troepen in Duitsland terecht. Superparaat: dat betekende dat je plunjebaal ingepakt moest blijven, op wat zaken voor dagelijks gebruik na, maar ook dat het wagenpark dagelijks afgetankt klaar moest staan en wel met de camouflagenetten op de motorkap. Gereed om uit te rukken, zodra zich ‘iets’ voordeed. En op dat ‘iets’, daar was het wachten op, veel wachten. In mijn recrutentijd deed zich de zgn. Cuba-crisis voor, die de spanningen tussen Oost en West tot een hoogtepunt liet oplopen. Veel beroeps maakten zich zorgen, wij dienstplichtigen minder, al was aan allerlei kleinigheden te merken dat er iets gaande was. Zo moesten we in de basisopleiding al een weekend binnen zitten vanwege de toestand van verhoogde paraatheid. Maar dit incident liep allemaal met een sisser af. Bij de troepen in Duitsland zou ik gewaar worden, wat het echt betekende om onder een voortdurende dreiging vanuit het Oosten te moeten opereren.

Rudo den Hartog 2021

Naar het volgende deel: Hohne


naar top↑