Verhaal van een ‘super-ouwe-Nato-joekel’

‘Maar eenmaal komt de tijd,
Dat we de rotzooi gaan verlaten.
Vervloekt zij’t regiment,
Lange leve de soldaten’ *
De ‘oude’ na het halen van zijn ouwestompspuit

Op een gegeven moment naderde dan toch het einde van je diensttijd. Het aftellen begon als je nog 100 dagen moest. Dan hing je in je kast een centimeterlint van 1 meter op, waar je iedere dag een centimeter van afknipte. Je kreeg de status van ‘ouwe stomp’ en weer later van ‘super-ouwe stomp’ en in mijn geval, in Duitsland gelegerd: ‘super-ouwe NATO-joekel’. Zwaaide de lichting vóór je af -voor mij dus lichting 62-4- dan mocht je je fluitkoordje van links naar rechts verplaatsen, zodat iedereen meteen kon zien dat je met een oude stomp te maken had. Verder kreeg je een paar dagen voor het afzwaaien een injectie toegediend, de ‘ouwestompspuit’ die moest beschermen tegen van alles en nog wat, zodat de dienst daarvoor niet achteraf aansprakelijk gesteld kon worden.

Eenmaal je ouwestompspuit gehaald hebbende, was het zeker dat je binnen enkele dagen zou afzwaaien, vandaar dat deze als trofee op de kleding werd meegedragen om later aan de ‘ouwestompstok’  bevestigd te worden.

Ouwestompstok

Wat is een ‘ouwestompstok’ ? Het Woordenboek van Jan Soldaat (uitg. A.W. Sijthoff, Alphen aan den Rijn, 4e druk 1980) omschrijft het attribuut aldus:

‘Versierde stok van vijftig tot vijfenzeventig centimeter lengte, die door de oudste lichting wordt gemaakt in de laatste twee maanden van de dienst. De stokken zijn van allerlei materiaal vervaardigd en worden versierd met ingesneden letters, snijwerk, patroonhulzen, schoenveters, kettinkjes, popjes, rangs- en korpsonderscheidingstekens en andere zaken.’

Mijn eigen ouwestompstok  –hieronder afgebeeld- was ongeveer 46 cm lang en geheel opgebouwd volgens het klassieke principe. De basis is het dwarse rondhoutje van een dienstklerenhanger, overtrokken met een bruine schoenveter uit een ‘kistje’ (soldatenlaars). De top wordt gevormd door een scherpe geweerpatroon in een van onderen afgezaagde (en van kruit ontdane) huls, het ondereinde door de onderkant van een afgezaagde patroonhuls.

Van onder naar boven is de stok opgesmukt met de volgende attributen:

  • het kraagembleem van het regiment of dienstvak waarbij gediend werd, in dit geval het Regiment Stoottroepen
  • de doorlopen rangen en standen, achtereenvolgens: soldaat 1e klas, korporaal en sergeant
  • het lichtingspeldje, vervaardigd van een stuiver uit het jaar van opkomst, aangevende dat betrokkene opgekomen is met de vijfde lichting van 1962, kort gezegd 62-5.
  • de naald van de Ouwestompspuit.
  • het kraagembleem van het regiment van opkomst, in casu het Garderegiment Grenadiers
  • speldjes die aangeven dat betrokkene in Duitsland gelegerd is geweest: een doorboord muntstuk van 5 pfennig , een schoorsteenvegertje en een haasje, beide afkomstig van de verpakking van krachtige alcohol, zoals de  Lüneburger specialiteit Schornsteinfeger (48 %). Ook een doorboorde stuiver uit 1962 maakt deel uit van deze parafernalia.

En dan eindelijk kreeg je je verlofpas uitgereikt, met de raadselachtige formule ‘klein verlof in afwachting van groot verlof’.  Het had iets te maken met het doorbetalen van je wedde, geloof ik, en in ieder geval met het niet meer oproepbaar zijn, als je veertig werd. Maar dat was nog heel ver weg.

Met een gestencilde uitnodiging, ingekleed als Berichtenformulier, namen de vijf sergeants van lichting 62-5 afscheid van hun makkers op maandag 8 juni. Bij die gelegenheid werd veel gedronken, maar dat was eigenlijk toch al zo.

Seedorf bierglas en uitnodiging afscheidsborrel (opklik voor grotere weergave)

Van het bestuur van de Onderofficiersmess kregen de afzwaaiers allemaal een bierglas ten afscheid met de tekst Nederlandse troepen in Seedorf en het embleem van de naar het Oosten klauwende griffioen. Het glas heeft tot nu toe alle verhuizingen overleefd en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het me te dierbaar is om uit te drinken.

Vrijdag 3 juli 1964

Dan brak de dag aan, dat je rotzooi werkelijk verlaten mocht. ’s-Ochtends in alle vroegte voor het laatst aantreden op het station van Godenstedt. Luitenant Westerhoud, mijn directe baas en plaatsvervangend compagniescommandant, kwam ons nog even uitgeleide doen, evenals ‘de lichting’ (63-5) die inmiddels bij de parate troepen was gearriveerd.

Per taxi wordt de ouwe stomp thuis afgeleverd, links de taxichauffeur die er de lol wel van inzag.

Lange uren in de trein, afscheid van je medeafzwaaiers op het station van Hengelo en in Utrecht naar huis met een taxi (!), cadeautje van Pa en Ma.

*Toegeschreven aan dichter-zanger Koos Speenhoff (1869-1945)


Omslagfoto:

Links: lichting 62-5 zwaait af op het station van Hengelo. V.l.n.r. sgt. Peters, sgt. Delahaye, sgt. Van Dijk en sgt. Den Hartog. Onze plunjebalen met PSU zouden later door Van Gend  & Loos thuis worden afgeleverd.
Rechts: op het station van Godenstedt. Lichting 63-5 zwaait 62-5 uit.

Rudo den Hartog 2021, Utrecht
v/h dpl. sgt. mtoo StStCie41PaBrig van mei 1963 tot en met juli 1964
Rechtstreeks reageren? ruudutrecht1@gmail.com


infosymb Meer interessante dienstherinneringen en anekdotes vind je in het hoofdstuk Verhalen

naar top↑